Geschiedenis van Zwitserland |
| Foto's van Zwitserland |
30/07/11
|
Het gebied dat nu Zwitserland vormt, was reeds in voorhistorische tijden bewoond (holbewoners en bouwers van paalwoningen). De eerste historisch duidelijk te traceren bevolkingsgroep zijn de Helvetiërs, een Keltisch volk dat ca. 200 v.C. vanuit Zuidwest-Duitsland naar het westen van Zwitserland trok. In 58 v.C. werden de Helvetiërs door Caesar bij Bibracte (Gallië) teruggeslagen. Een Alpenveldtocht van Drusus en Tiberius (15 v.C.) bracht de definitieve onderwerping van de Helvetiërs, een lot dat ook de in het zuidoosten van Zwitserland gevestigde Raëtiërs (zie Raetia) trof. Tijdens de Romeinse tijd was in de 2de eeuw n.C. sprake van een bloeiperiode. Sedert ca. 259 deden de Alamannen verwoestende invallen in het gebied, dat na het vertrek van de Romeinen (ca. 400) in de loop van de 5de eeuw door de Alamannen en de Bourgondiërs werd bezet. In 534 werden de Bourgondiërs en in 536 de Alamannen ingelijfd bij het Frankische Rijk. De kerstening van het land, die in de 4de eeuw was begonnen, kwam ca. 600 door het optreden van de missionarissen Columbanus en Gallus definitief tot stand; naar deze laatste is het in 719 gestichte klooster van Sankt Gallen genoemd. |
Na de verschillende delingen van het Frankische Rijk kwam Zwitserland in 1033 in zijn geheel aan het Duitse Rijk; het land raakte echter zeer versnipperd in een groot aantal territoriale gebieden en gebiedjes, die zeer ingewikkeld door elkaar heen lagen. Het rijksgezag was miniem en de adel oefende een dermate zware druk uit op de bevolking, dat al vrij spoedig volksbewegingen tegen de adel voorkwamen. Zo sloten in Midden-Zwitserland, in aansluiting op de marke- of Allmend-gemeenschap, de boeren zich aaneen tot dalgenootschappen, tegen de willekeur zowel van de adel als die van de ‘rijksvoogden’. Van de adellijke bezittingen waren in het noordwesten die van het geslacht Zähringen belangrijk, na 1250 in het noordoosten die van het geslacht Habsburg. De straffe wijze van besturen, alsmede de machtspolitiek van laatstgenoemd geslacht leidde tot een opstand in het Duitse deel van Zwitserland. |
De gebieden (‘Waldstätte’) Uri, Schwyz (resp. sinds 1231 en 1240 ‘rijksvrij’) en Unterwalden (het tegenwoordige Ob- en Nidwalden), de zgn. oerkantons (kern van het Eedgenootschap, zie hierna), sloten op 1 augustus 1291 een ‘eeuwig verbond’ (vgl. Rütli) tegen de Habsburgers, die sinds 1273 de troon in het rijk bezetten en de Gotthardpas wilden beheersen. Legendarische figuren uit deze periode zijn Wilhelm Tell en de Habsburgse landvoogd Gessler. Een gelukkige omstandigheid voor de Zwitsers was dat de Habsburgers bij hun streven hun macht in het rijk zoveel mogelijk uit te breiden, bij andere Duitse vorsten tegenstand ondervonden, zodat meestal koningen uit andere Huizen tot keizer werden gekozen. Zo bevestigde de Luxemburgse keizer Hendrik VII de oerkantons in hun privileges en verschafte die ook aan Unterwalden (1309) en ondervonden de Zwitsers bij hun streven naar onafhankelijkheid veel steun van de kant van de Beierse Wittelsbach. Beslissend was de ernstige nederlaag die zij in 1315 bij Morgarten aan het ridderleger van de Habsburg Leopold toebrachten. |
![]() |
Hendrik VII. |
In hetzelfde jaar hernieuwden de oerkantons hun bond te Brunnen; zij namen daarin nu ook andere Habsburgse of door de Habsburgers bedreigde steden en gebieden op: Luzern (1332), Zürich (1351), Glarus (1352), Zug (1352, 1368 en 1389), Bern (1353). Zo ontwikkelde zich de bond van de drie oerkantons – waarvan de naam van Schwyz ten slotte overging op het geheel – tot het Eedgenootschap, de zgn. Achtörtige Eidgenossenschaft. Uit de slagen bij Sempach (1386) en Näfels (1388) bleek dat het voetvolk van de acht kantons zich kon handhaven tegenover het Habsburgse ridderleger. |
Tot 1516 volgde nu een tijd van gebiedsuitbreiding enerzijds en van een streven te komen tot consolidatie van de staat anderzijds, terwijl ook onderlinge conflicten optraden (strijd tegen Zürich, 1443–1446). Het Zwitserse gebied breidde zich uit, o.a. door de verovering van Aargau (1412) en Thurgau (1460) – beide werden behandeld als ‘Untertanenländer’ – en door de toetreding van Fribourg en Solothurn (1481), van Basel en Schaffhausen (1501) en van Appenzell (1513). Hoewel men voelde dat een soort centraal gezag nodig was, bleef de onderlinge band zeer los. Wel waren door bijv. de Pfaffenbrief (1370) en door de Sempacherbrief (1393) bepaalde kwesties gemeenschappelijk geregeld (handel en verkeer, discipline in de krijgsmacht, enz.). Toen de tegenstelling tussen stad en land tot |
![]() |
Bern. www.iaeste.ch |
burgeroorlog dreigde te leiden, wist men door het Stanser Verkommnis van 1481 de eenheid te bewaren. Dat de landelijke bevolking ontevreden bleef, bewees de boerenbeweging onder Waldmann, in 1480. Hij werd terechtgesteld, de stedelijk-aristocratische richting had gezegevierd over de democratisch-agrarische. In de Bourgondische oorlogen bewezen de Zwitsers hun militaire kracht (slagen bij Grandson en Murten, in 1476, en bij Nancy in 1477). Hun expansiedrift vond echter een einde in de Slag bij Marignano, toen zij door Frans I van Frankrijk werden verslagen. Bij de ‘eeuwige vrede’ (1516) met Frankrijk behield het Eedgenootschap Ticino en Locarno als onderworpen gebied. Hoewel de kantons langzamerhand los van het rijk waren komen te staan en in 1499 ook geweigerd hadden aan de rijkshervorming van Maximiliaan mee te doen, bleef officieel de band met het rijk gehandhaafd (de officiële erkenning van de onafhankelijkheid volgde pas bij de Vrede van Westfalen, 1648). "Zwitserland," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|