Sovjet-Unie

Geschiedenis van de Sovjet-Unie

Beelden Sovjet-Unie
Lenin en de vestiging van de staat

Na het overnemen van de macht door de bolsjeviki in november 1917 (zie Russische Revolutie) stonden de nieuwe heersers voor twee grote problemen: de Eerste Wereldoorlog, waarin tsaristisch Rusland verwikkeld was geraakt, en de consolidatie van hun eigen macht. Uit de eerste decreten van de bolsjevistische regering bleek een dringend verlangen naar vrede, hetgeen voorlopig in een wapenstilstand (2 december 1917) geconcretiseerd kon worden. De vredesonderhandelingen verliepen evenwel moeizaam. Na een hernieuwd Duits offensief werd op 3 maart 1918 een onvoordelige vrede gesloten (zie Vrede van Brest-Litovsk). Deze vrede kwam tot stand op aandringen van Lenin en tegen de wil van een deel van de bolsjeviki (Nicolaj Boecharin) en de linkse sociaal-revolutionairen in de regering, die op principiële gronden voor het continueren van de strijd waren: de internationale verbreiding van de revolutie moest aan de interne consolidatie voorafgaan.

Om de macht te vestigen werden tal van decreten uitgevaardigd, o.m. over het grondbezit, de arbeiderscontrole in de industrie en het zelfbeschikkingsrecht van de nationaliteiten. Politieke oppositie werd van meet af aan krachtig bestreden, zowel door censuur (vanaf 18 november 1917) als door het toepassen van geweld. Zo werd op 6 januari 1918 de Constituante, die met haar sociaal-revolutionaire meerderheid een wel legitieme, doch onmachtige bedreiging vormde, uiteengejaagd. Potentiële vijanden van het regime werden sinds december 1917 door de geheime politie, de Tsjeka, bestreden. Door de in Finland, Oekraïne en Transkaukasië optredende en deels onder Duitse protectie staande, separatistische nationale bewegingen bleef de bolsjevistische machtssfeer in feite beperkt tot Centraal-Rusland.

Begin van Lenin in Rusland
Lenin in Rusland
Lenin in Rusland

In de eerste maanden van Lenins regering was er nauwelijks sprake van gewapend verzet. De antibolsjevistische krachten kwamen pas in de lente van 1918 in het geweer. In maart 1918 landde een geallieerd expeditieleger in Moermansk, in mei keerde het Tsjechoslowaakse legioen, dat voordien tegen Duitsland had gevochten, zich tegen de bolsjeviki en maakte zich meester van Siberië. Amerikanen en Japanners bezetten de oostkust. Rechtse elementen formeerden zich tot legers, onder Denikin (Zuid-Rusland), Krasnov (Don-kozakken), Koltsjak (Wolgagebied) en Joedenitsj (Noordwest-Rusland). De politieke programma's van deze ‘witte’ generaals hadden echter geen aantrekkingskracht op de boerenbevolking, die in de programma's een aanslag op de eindelijk verworven grond zag. De sociaal-revolutionairen onthielden zich in het algemeen van gewapend verzet; gedurende korte tijd handhaafden zij in het Wolgagebied enkele regeringen. De linkse socialisten-revolutionairen in Moskou echter probeerden via een coup (juli 1918) aan de macht te komen; ook later pleegden zij nog diverse aanslagen.

In deze tijd verhoogde zich de activiteit van de Tsjeka tot een scherpe ‘rode terreur’. De Witten, ongecoördineerd, geografisch verspreid, zonder brede sociale basis, waren niet in staat de burgeroorlog te winnen tegen het ‘Arbeiders en Boeren Rode Leger’, dat door Trotski was opgebouwd tot een betrekkelijk goed georganiseerd, beweeglijk apparaat. Het groeide uit van een half miljoen manschappen in 1918 tot vijf miljoen manschappen in 1920. Eind 1920 beheersten de bolsjeviki Rusland (behalve de Baltische staten, Finland en Bessarabië) en in 1921 werd de mensjevistische republiek Georgië ingelijfd. De Pools-Russische Oorlog, met als inzet de westgrens, resulteerde op 12 oktober 1920 in de Vrede van Riga, waarbij de grens werd vastgesteld halverwege de Curzonlinie en de oude Poolse grens van 1772

Tijdens de burgeroorlog werd de interne politiek van de bolsjeviki, het ‘oorlogscommunisme’ (1918–1921), gekenmerkt door ambivalentie. Enerzijds werd een poging gedaan door middel van radicale wetgeving, zoals nationalisatie van (industriële) ondernemingen en invoering van de geldloze economie, in haastig tempo het communisme op te bouwen. Anderzijds werd onder druk van de omstandigheden een pakket praktische maatregelen genomen waardoor de partijdictatuur zich ten koste van de arbeidersmacht ontwikkelde. Juist daartegen kwamen de meer principiële marxisten in de Communistische Partij in het geweer. De voornaamste opposanten waren de Democratisch-Centralisten en de Arbeidersoppositie. Op het 10de partijcongres (1921) werd de eenheid hersteld door het zgn. fractieverbod. In maart 1921 brak in het garnizoen te Kroonstad (Kronsjtadt) een opstand uit ter ondersteuning van de rechten van de massa. Deze revolutie, om propagandistische redenen als ‘witgardistisch’ bestempeld, werd bloedig onderdrukt door generaal Michail Toechatsjevski. Eind 1922 werd tussen de Oekraïense en Wit-Russische Sovjet-Republieken en de Russische Socialistische Federatieve Sovjet-Republiek (RSFSR), de rechtsopvolger van het Rusland van de Voorlopige Regering (maart–november 1917) en daarvóór van het Russische keizerrijk en de uit de drie Kaukasische republieken (Armenië, Georgië en Azerbeidzjan) gevormde Transkaukasische Federatieve Sovjet-Republiek een verdrag getekend waarbij de Unie van Socialistische Sovjet-Republieken (USSR) werd opgericht. © Schriftelijke door en Encarta