Geografie van Engeland
|
Beelden Engeland |
Het hoofdeiland Groot-Brittannië, 229 884 km2, is van het Europese vasteland gescheiden door de Noordzee en Het Kanaal. Geen punt ligt verder dan 120 km van de zee verwijderd. De kusten zijn sterk geleed, in het bijzonder de westkust van Schotland. Het ontstaan der zeer talrijke, meestal vertakte en van vooruitspringende rotsen, eilanden en klippen vergezelde kleinere bochten aan Schotlands westkust (aldaar het type van de Noorse fjorden vertonende) staat in verband met het feit dat de meeste niets anders zijn dan het onderste deel van de dalen van de berglandschappen waarin de zee binnengedrongen is bij de positieve niveauverandering. Hun verdere modellering is ontstaan door de zeer sterke branding en de getijden. De oostkust is, overeenkomstig het vlakke karakter van het achterland, eentonig gevormd. Vlakke kusten, soms met duinen en waddenvorming, hebben de overhand, maar ook hier wordt de kustlijn onderbroken door verdronken rivierlaagten. |
Naar de morfologie is Groot-Brittannië te onderscheiden in een noordwesthelft, bestaande uit een uit oudere gesteenten samengesteld bergland, en een zuidoosthelft, welke min of meer het karakter van een vlakte draagt en waarin jongere gesteenten overheersen. Het grootste deel van Schotland wordt ingenomen door Caledonische gebergten en kan in drie grote natuurlijke landschappen worden verdeeld, nl. de noordelijke hooglanden (Ben Wyvis 1043 m, Scourna Lapick 1151 m, Ben Dearg 1081 m), het centrale hoogland of de Grampians (Ben Nevis 1343 m, Macdhui 1309 m, gekenmerkt door diep ingesneden dalen, en overwegend met venen en heiden bedekt) en de door de brede en vruchtbare slenk van de Schotse laaglanden van de noordelijke hooglanden gescheiden zuidelijke hooglanden. |
Zowel de noordelijke als de zuidelijke hooglanden vormen een versneden plateau, met enkele hogere alleenstaande toppen, met dit verschil, dat de zuidelijke hooglanden (Broad Law 835 m, Merrick 843 m, Hart Fell 804 m) lager zijn. In Engeland en Wales zijn de Caledonische gebergten vertegenwoordigd door het massief van Cumberland (Sea Fell 984 m). Voorts behoren tot de Caledonische vormingen de berglanden van Noord- en Midden-Wales (Snowdon 1094 m). Tot de Variscische plooiingsgebergten in Groot-Brittannië behoort in de eerste plaats het Penninisch Gebergte. Van het zuiden (Weaverstick 351 m) strekt het zich over ca. 250 km naar het noorden uit en bereikt de grootste hoogte in de Cross Fell (893 m). |
![]() |
landschap van Engeland. |
Het zuidelijk deel, het Peakgebergte, is vooral een mijn- en weidegebied, het noordelijk deel is grotendeels met heide en veen bedekt. Nog verder noordwaarts zet het Penninisch Gebergte zich voort in de Cheviot Hills (867 m) op de grens tussen Engeland en Schotland. Verder behoren tot deze Variscische gebergten het bergland van Zuid-Wales en het bergland van Cornwall. De Mendip Hills in de graafschappen Somerset en Avon staan met deze Variscische gebergten in nauw verband. |
Ook het zuidoostelijke, vlakke deel van Groot-Brittannië valt in een aantal kleinere gebieden uiteen, in de eerste plaats de vlakte van de Midlands (vlakte van Lancashire, Cheshire, Leicester, Vale of York), die in een V-vorm het zuidelijk deel van de Penninische Gebergten omsluit. Oostelijk hiervan ligt een cuestalandschap, bestaande uit een afwisseling van in feite uit harde gesteenten bestaande cuestaranden en brede, vlakke, meest met klei gevulde dalen (vales), die de uitgeruimde, zachte gesteentelagen representeren. In Engeland komen enkele van deze series van cuestalandschappen voor: 1. de heuvelreeks Cleveland Hills – Lincoln Edge – Cotswold Hills (346 m); 2. de laagtenzone van de Vale of Pickering, Lincoln Vale, de Fenlands, Vale of Aylesbury, Vale of the White Horse; 3. de krijtcuesta |
![]() |
Engeland. manuscripten.skynetblogs.be |
van de Yorkshire Moors (454 m), Lincoln Wolds, Chiltern Hills (275 m), East Anglian Heights, Rambourne en Marborough Downs (295 m), die zich in het noorden van Wiltshire tot een breed plateau (vlakte van Salisbury) verbreedt. Het uiterste zuiden en zuidoosten van Engeland vormen cuestalandschappen. De North Downs, die in het westen met de vlakte van Salisbury in verbinding staan, en de South Downs vormen de uit kalk bestaande cuesta-steilranden, terwijl daartussen een lager gebied (the Weald) gelegen is, dat uit twee vales en een zandige, centrale kern (Ashdown Forest) bestaat. Het Noord-Ierse landschap is door langdurige denudatie van de Caledonische massieven betrekkelijk vlak, met meer reliëf in de oostelijke tertiaire granietintrusies (Mournegebergte, 850 m) en in het oosten van het tertiaire basaltgebied van Antrim, dat ten noorden van Lough Neagh een vrij vlakke, lage ligging heeft (zie hiervoor verder bij Ierland). "Engeland". |
![]() Aangepast zoeken
|