Geografie en rivieren van Hongarije |
| Foto's van Hongarije |
3/08/11
|
Alhoewel Hongarije grotendeels een laagvlakte is – het zgn. Pannonische Bekken, te verdelen in de Nagy Alföld (Grote Laagvlakte) ten oosten van de Donau, Dunántúl (Transdanubië) ten westen van de rivier en de Kis Alföld (Kleine Laagvlakte) in het noordwesten – weerspiegelen de weinige verheffingen en heuvels een rijke geologische geschiedenis. De granieten van de Velence en de Mecsek stammen uit het Carboon, het Transdanubische centrale middelgebergte (waarvan het Bakonywoud deel uitmaakt), de Bükk en het Borsodkarstgebied uit de Midden-Jura. Aan de voet van deze gebergten vormden zich tijdens Jura en Eoceen-Mioceen (Tertiair) resp. de steenkoolvelden van Pécs en de bruinkoollagen van Tatabánya, Dorog, enz. De uitlopers van de Alpen en de Karpaten werden in het Tertiair gevormd, in welk tijdvak ook de uit het Mesozoïcum stammende binnenzee met puin en zand opgevuld werd door de uit het gebergte stromende rivieren, zodat de Grote Hongaarse Laagvlakte gevormd werd. Als bijverschijnsel van de gebergtevorming trad enig vulkanisme op in het noorden (o.a. Mátra, Zemplénheuvels). |
In het Kwartair werd tijdens de IJstijden ook eolische löss afgezet, die in Transdanubië nog in dikke pakketten (tot 50 m) aanwezig is, maar in de Kis Alföld door de wind en in de Nagy Alföld door de rivieren weer grotendeels geërodeerd is. In de rivierzanden van de Alföld trad zeer veel duinvorming op. In het centrale middelgebergte en andere heuvels komen verschillende varianten bosbodems voor. In vochtige lage gebieden overwegen weidebodems met een hoog humusgehalte. De vruchtbaarste bodems zijn de wat hoger tussen de rivieren gelegen steppebodems (zwarte aarde, tsjernozjom), vnl. op lössondergrond in de laagvlakte en Transdanubië. In de Nagy Alföld, maar vooral ten oosten van de Tisza, komen veel zoutbodems (solonets en solontsjak; Hong.: szikes talaj) voor, die moeilijk te ontginnen zijn. |
Van de poesta, het door toedoen van mensen (boskap en branden) ontstane steppeachtige, grootste deel van de Nagy Alföld, is door ontginningen sinds 1850 vrijwel niets meer overgebleven. De Hortobágy – in 1999 door Unesco tot Werelderfgoed uitgeroepen – en de Bugac waren de laatste restanten van enige omvang.
De belangrijkste rivieren zijn de Donau (Hongaars: Duna) en de sterk meanderende Tisza (Theiss), resp. 410 en 600 km over Hongaars grondgebied stromend. |
![]() |
|
Landschap in Hongarije. |
Na de bouw van een stuw in de Tisza (1951 –1954) wordt een deel van het water door het 98 km lange Keleti-fócsatorna (Oostelijk hoofdkanaal) van deze rivier afgetapt voor irrigatiedoeleinden. In het zuidoosten van het land is alleen artesisch water aanwezig. De meren zijn zeer ondiep: het Balatonmeer of Platten See (596 km2) gemiddeld 3 tot 4 m, het Velencemeer (26 km2) 1 tot 2 m. Het Fertómeer (Neusiedler See, 337 km2), waarvan ? op Hongaars gebied, is meer een moeras; het water bevat alkalische zouten. Tussen de duinen van de Nagy Alföld bevinden zich eveneens vele zouthoudende meertjes. "Hongarije," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|