Frankrijk
Franse economie
Beelden Frankrijk

De industriële ontwikkeling kwam in Frankrijk pas laat op gang en tot de Tweede Wereldoorlog waren alle bedrijfstakken ondergeschikt aan de landbouw. Een belangrijke wijziging in de economische politiek na 1945 vormde de instelling van een algemeen planbureau, waardoor de invloed van de overheid sterk toenam. De door het planbureau opgestelde plannen moeten door het parlement worden goedgekeurd en dienen m.n. als kader voor het particuliere en publieke investeringsbeleid. Zo werd in 1945 de nationalisatie van de energiesector, de vier grote bankinstellingen, de grote verzekeringsorganisaties en de automobielfabriek Renault doorgevoerd. De Franse staat legde ook de hand op het openbaar vervoer. De relatief geringe schade tijdens de Tweede Wereldoorlog werd, mede dankzij de Marshallhulp, snel overwonnen. De Franse staat voerde een krachtige expansiepolitiek, al ging dit gepaard met een stijgende inflatie en devaluatie van de k. De integratie in Europa (EGKS 1951, EEG 1957), de planpolitiek waarin overheid, particulier bedrijfsleven en vakbeweging nauw samenwerken en het fiscale beleid dat investeringen aanmoedigt, leidden tezamen tot een sterke groei van de industrie (m.n. de mijnbouw, metaalverwerking, elektronica en petrochemische industrie); de bedrijven, voor zover niet genationaliseerd, bereikten door concentraties Europees formaat.

Sinds 1945 is de industriële productie snel gestegen. Tussen 1970 en 1980 was er, ondanks de teruggang in 1975 als gevolg van de internationale recessie, sprake van een productiestijging van 33%. In de jaren 1980–1982 stagneerde de groei. Evenals de meeste industrielanden had Frankrijk in de jaren tachtig te kampen met hoge inflatiepercentages, massale werkloosheid en een dalende vraag. De nationalisaties van 1982 (o.a. Matra, Saint-Gobain en Bull) moesten Frankrijk de middelen verschaffen om een coherent industriebeleid te voeren en om machtsconcentraties te beperken. Een vijfjarenplan, opgesteld in 1986, beoogde 65 staatsbedrijven (waaronder in 1982 genationaliseerde bedrijven) te privatiseren. Met de verkoop van staatsbedrijven hoopte men de staatsschuld te verminderen. Zowel stagnatie in de industrie als herstructurering van genationaliseerde bedrijven leidde tot een toename van de werkloosheid.

Aan het eind van de jaren tachtig trad echter een onverwacht gunstige conjunctuurontwikkeling op, veroorzaakt door een goede financieringspolitiek, dalende olieprijzen en belastingverlichting. De jaren negentig stonden in het teken van herstructurering: het beleid van de overheid richtte zich op vermindering van staatsbemoeienis, begrotingstekort en staatsschuld. Diverse staatsbedrijven werden hiertoe (gedeeltelijk) geprivatiseerd. Structurele verbetering van de Franse concurrentiepositie bleef echter uit: de introductie van de 35-urige werkweek (2000) en het kostbare pensioenstelsel maakten Frankrijk niet aantrekkelijk voor investeerders. Mede hierdoor bleef de werkloosheid ook tijdens de hoogconjunctuur aan het begin van de 21ste eeuw hoog: 9% in 2002. In 2001 bedroeg de groei van het bbp 2%. Ook had Frankrijk grote moeite om zich aan de begrotingsdiscipline van het Groei- en Stabiliteitspact te houden. Na de groei in 2001 en 2002 was de ontwikkeling van het bbp in 2002 gestagneerd en belandde de economie in 2003 in een recessie. In 2004 krabbelde het land op uit de recessie, maar de werkloosheid bleef met 10% hoog.

Franse economie
Franse economie.
In 2006 groeide de economie met ongeveer 1%. De export steeg met ongeveer 2,5% en de werkloosheid bleef schommelen rond de 9%. Het aantal banen nam toe met zo’n 200 000, met name in de private sector. De verdeling van de beroepsbevolking over de verschillende economische sectoren was in 1997: landbouw: 4%; industrie: 25% en dienstensector: 71%. Vrouwen maken bijna de helft van de beroepsbevolking uit, buitenlandse werknemers ruim 6%.
Aangepast zoeken