Economie van Engeland : Agrarische sector, bosbouw en visserij
|
Beelden Engeland |
De landbouw heeft 80% van het landoppervlak in gebruik en voorziet – dankzij de opmerkelijke intensivering van de bedrijfsvoering – in ongeveer 70% van de Britse voedselproductie tegen 1/3 vóór de Tweede Wereldoorlog. De agrarische cultuurgrond omvat ca. 186 000 km2, waarvan ca. 64% valt in de categorie improved land, d.w.z. bouwlanden, tuingronden, boomgaarden en tijdelijke alsmede verbeterde blijvende graslanden. De rest wordt rough grazing genoemd, d.w.z. niet-verbeterde schrale natuurlijke weilanden op berghellingen, heidevelden e.d. Laatstbedoelde beslaan in Engeland en Wales ca. 1/6 van de cultuurgrond, in Noord-Ierland ca. 1/4 en in Schotland niet minder dan 3/4. Ongeveer 37% van het zgn. improved land wordt in beslag genomen door akkerland (vooral granen, haver en gerst). In 1994 waren er ongeveer 235 000 landbouwbedrijven van 1 ha en groter, met een gemiddelde oppervlakte van 65 ha. Van de boeren werkt ca. 75% fulltime in de landbouw. De bedrijven in Noord-Ierland zijn over het algemeen kleiner, waartegenover staat dat het bijna alle eigen bedrijven zijn. Aan de intensivering van de Britse land- en tuinbouw hebben in sterke mate mechanisatie en onderzoek bijgedragen. Hierdoor steeg bijvoorbeeld tussen 1961 en 1981 de productie van haver en aardappels met 63% resp. 45%. Het regeringsbeleid is er steeds op gericht geweest samenvoegingen te bevorderen. De landbouw droeg in 1995 voor 2% bij aan het bruto nationaal product, terwijl 1% van de beroepsbevolking er zijn werk vond. |
De veehouderij (vooral in het westen) neemt een dominerende plaats in binnen de agrarische productie. De slachtveefokkerij is het belangrijkst; de schapenteelt is zowel om het vlees als om de wol van belang. Veeziektes brachten de sector in problemen door de exportverboden: de ontdekking van de gevaren van BSE (1996) en de epidemie van mond- en klauwzeer (2001). De oppervlakte tuinbouwgrond is sinds de Tweede Wereldoorlog verminderd, maar door de sterke intensivering is de productie op peil gebleven. In Kent en de West Midlands bevindt zich de meeste tuinbouw. Bosbouw. Van het landoppervlak van Groot-Brittannië was in 1995 10% met bos bedekt, d.w.z. bos dat onderhouden wordt en productief is. |
Daarvan is ca. 50% te vinden in Engeland, 40% in Schotland en de rest in Wales. Bijna 45% van dit bos wordt van overheidswege beheerd door de Forestry Commission. Het bosareaal wordt jaarlijks uitgebreid, waarvan een kwart in opdracht van de overheid en driekwart in opdracht van particulieren. De meeste aanplant vindt plaats in berggebieden, in het bijzonder in Schotland. De Britse houtbehoefte wordt slechts voor een gering deel door de binnenlandse productie gedekt. Visserij. De Britse visserij die sinds de jaren zeventig sterk aan belangrijkheid heeft ingeboet, voorziet voor ongeveer tweederde in de nationale behoefte aan vis en visproducten. De Britse visserijvloot telde in 2000 ca. 8000 schepen. |
![]() |
Engeland : Agrarische. |
De vangst bedroeg 748 300 ton, met een totale waarde van £ 550 miljoen. De belangrijkste Engelse vissershavens zijn: Kingston upon Hull, Great Grimsby, Aberdeen, Fraserburgh (Grampian Region), Peterhead, Lowestoft en Great Yarmouth. |
![]() Aangepast zoeken
|