Engeland
Engeland in de 70 en 80
Beelden Engeland

De verkiezingen van 1970 leverden een overwinning op voor de conservatieven onder Heath. Deze boekte successen: de toetreding tot de Europese Gemeenschappen per 1 januari 1973 en een akkoord met Rhodesië, dat overigens nog geen oplossing van het probleem bracht. Weinig waardering oogstte hij – m.n. van de landen van het Gemenebest – voor het hervatten van de wapenleveranties aan Zuid-Afrika. De regering-Heath had in 1973 te kampen met ernstige sociale onrust. Een slepend loonpolitiek geschil tussen regering en vakbeweging (mijnwerkers) vormde voor Heath een aanleiding om vervroegde verkiezingen uit te schrijven (februari 1974). Labour veroverde slechts een relatieve meerderheid. Wilson stelde zich aan het hoofd van een minderheidsregering en schreef tegen oktober 1974 nieuwe verkiezingen uit, waarin Labour een krappe meerderheid behaalde. Wilson legde de kwestie van het lidmaatschap van de Europese Gemeenschappen, waartegen Labour in meerderheid jarenlang had geageerd, in juni 1975 voor aan de kiezers. Een ruime meerderheid stemde voor continuering van het lidmaatschap. In april 1976 werd Wilson, die zich om persoonlijke redenen als premier terugtrok, opgevolgd door Callaghan, voordien minister van Buitenlandse Zaken.

Deze ondervond dermate veel economische en politieke problemen in de jaren 1977 en 1978 dat de uitslag van de verkiezingen in mei 1979 voor velen nauwelijks als een verrassing kwam: de voorzitster van de Conservatieve Partij, Margaret Thatcher, nam de plaats van Callaghan op Downing Street in, gesteund door 44% van de stemmen. De jaren tachtig zouden het tijdperk van Margaret Thatcher worden. Haar regering bereikte, na langdurige onderhandelingen, in december 1979 overeenstemming met alle strijdende partijen in Rhodesië. Het onder leiding van minister van Buitenlandse Zaken Lord Carrington bereikte akkoord leidde de onafhankelijkheid van Zimbabwe in. De relatie met de overige leden van de EG was in de eerste jaren zeer gespannen: Thatcher eiste een vermindering van de Britse bijdrage, die naar haar idee onrechtvaardig hoog was.

In 1982 werden alle problemen overschaduwd door de Argentijnse bezetting van de door beide landen opgeëiste Falklandeilandengroep. De Britse regering stuurde een expeditieleger uit en na een korte strijd werden de eilanden heroverd. De operatie was riskant geweest, had veel mensenlevens gekost en was alleen mogelijk gemaakt door Amerikaanse steun. Desondanks bezorgde het Falkland-effect de Conservatieve Partij in 1983 een daverende verkiezingsoverwinning. In 1984 werd eindelijk de kwestie van de Britse bijdrage aan de EG geregeld: er werd een akkoord gesloten dat voorzag in een teruggave van een bedrag van £ 800 miljoen, en in een andere verdeling van de lasten. Toch zou de Britse verhouding tot de EG nog lang problematisch blijven. In de jaren 1984–1986 eisten vooral binnenlandse politieke kwesties de aandacht op, waaronder de confrontatie tussen de regering en de radicale mijnwerkersbond in 1984. De onder leiding van Scargill staande staking zou meer dan een jaar duren en geweldige schade berokkenen aan de Britse economie. De onderliggende kwestie was echter een politieke: de regering van premier Thatcher wilde voor

Margaret Thatcher
Margaret Thatcher.
eens en voor altijd afrekenen met de naar haar opvatting veel te grote invloed van de vakbonden. In die opzet slaagde ze zeker. De nederlaag van de mijnwerkers werkte ook als een effectieve afschrikking tegen de andere bonden, die in de jaren daarna nauwelijks in staat waren een factor van betekenis te vormen. In oktober 1984 werd het partijcongres van de regerende Conservatieve Partij opgeschrikt door een zware bomaanslag: premier Thatcher ontkwam ternauwernood, twee ministers werden zwaar gewond.

De aanslag was het werk van het Ierse Republikeinse leger (IRA), dat daarmee de Noord-Ierse kwestie weer in het brandpunt van de Britse politiek plaatste; zie voor een uitvoerige behandeling het artikel Noord-Ierland. In 1986 verloor Thatcher een van haar populairste ministers: de minister van Defensie Michael Heseltine. Aanleiding was een onenigheid tussen beiden met betrekking tot de West-Europese defensiesamenwerking. De verkiezingen van 1987 brachten de Conservatieven hun derde achtereenvolgende grote overwinning. Eind 1989 leed Thatcher in eigen kring een gevoelig gezichtsverlies toen minister van Financiën Nigel Lawson na een ernstig meningsverschil de eer aan zichzelf hield en ontslag nam. Lawson wilde dat Groot-Brittannië zou gaan deelnemen aan het Europees Monetair Stelsel (EMS), maar Thatcher bleef hameren op een onafhankelijke Britse monetaire politiek. Weliswaar bleef Thatcher aan, maar haar Europese politiek werd vanaf toen in feite gedicteerd door de meer Europees gezinde ministers Geoffrey Howe (vice-premier), Douglas Hurd (Buitenlandse Zaken) en John Major (Financiën).

Michael Heseltine
Michael Heseltine.
Na de Iraakse bezetting van Koeweit op 2 augustus 1990 greep premier Thatcher de ontstane crisis aan om haar aangetaste prestige weer op te vijzelen. Door het sturen van schepen, vliegtuigen en troepen naar het gebied van de Perzische Golf en door haar strijdlustige opstelling in het diplomatieke circuit nam zij in Europa het voortouw bij het organiseren van het gezamenlijk optreden van de Westerse landen in het conflict (zie Tweede Golfoorlog). Het mocht echter niet baten. Major forceerde de toetreding tot het EMS (oktober 1990) en in november trad Howe uit het kabinet. In een felle verklaring veroordeelde hij het verzet van Thatcher tegen verdergaande Europese integratie. Dit was voor Michael Heseltine, in 1986 na onenigheid met Thatcher afgetreden als minister van Defensie, het sein om het leiderschap van Thatcher ter discussie te stellen. Toen het Thatcher duidelijk werd dat zij niet meer op een meerderheid van de Conservatieve parlementsleden kon rekenen, trad zij af (22 november 1990).
Aangepast zoeken