Japan
Japanse geschiedenis : De Tokoegawa- of Edo-periode (1603–1868)
Foto's van Japan

Tussen 1573 en 1603 kwamen drie mannen naar voren die de eenheid van Japan herstelden. De eerste, de daimyô Nobunaga Oda (1534–1582), veroverde vele van de centrale provincies, brak de enorme macht van de boeddhistische kloosters en maakte een eind aan het Ashikaga-sjogoenaat. De tweede, Hideyoshi Toyotomi (1536–1598), verenigde en pacificeerde het land. In 1592 zond hij een grote expeditionaire macht naar Korea ter verovering van dit schiereiland. Na aanvankelijke successen liep de expeditie door de verenigde Chinees-Koreaanse tegenstand al spoedig dood, hoewel de Japanse troepen in Korea bleven en in 1597 wederom naar het noorden oprukten. Na de dood van Hideyoshi werden de Japanners gerepatrieerd. De enige winst van deze expeditie voor Japan ligt in de ontwikkeling van de boekdrukkunst en de keramiek: onder de uit Korea meegenomen krijgsgevangenen bevonden zich talrijke pottenbakkers en de opbloei van de beroemde Japanse porseleinkunst is grotendeels aan hen te danken.

Edo-periode (1603–1868)

In 1600 kreeg de derde grote man, Ieyasu Tokoegawa (1542–1616), bij de Slag van Sekigahara de feitelijke macht in Japan. Drie jaar later werd hem door de keizer de titel van sjogoen verleend. De keizers bleven hun schaduwbestaan te Kyoto leiden; de Tokoegawa-sjogoens zetelden te Edo, het huidige Tokio. Zij schiepen een gecentraliseerde politiestaat, waarvan bepaalde trekken vermeldenswaard zijn. Zo moesten bijv. alle daimyô, de leenmannen van de sjogoen, een bepaalde periode in de hoofdstad verblijven en een daaraan gelijke periode op hun leengoederen. Hun vrouwen en kinderen verbleven echter constant in Edo. De bevolking was rigoureus in vier klassen verdeeld.

Bovenaan stonden de samoerai of krijgslieden, waartoe zowel de sjogoen zelf als de daimyô, civiele en militaire ambtenaren en alle militairen tot de laagste voetknecht behoorden; voorts geleerden, bepaalde kunstenaars, artsen, enz. De tweede klasse was die van de boeren, de derde die der handwerkslieden, terwijl de kooplieden de vierde klasse vormden. Buiten deze klassenindeling vielen de paria's (Eta en Hinin). De handelslieden en missionarissen, die in de 16de eeuw nog met enthousiasme waren ontvangen, werden sedert 1615 vervolgd en geweerd. Ook werd het Japanners verboden naar het buitenland te reizen. Een toenemende antichristelijke instelling, angst voor inmenging van de westerlingen in interne aangelegenheden en voor kolonisatie, en vrees voor een bedreiging van de Japanse economie waren de voornaamste oorzaken van deze maatregelen.

Edo-periode
Edo-periode. Beeld : http://the-lonely-push-biker.blogspot.com/2009/09/historische-bezienswaardigheden-uit-edo.html
Zo werd Japan afgesloten voor buitenlanders (tot 1854), met uitzondering van Chinezen en Nederlanders. Deze laatsten hadden in 1609 een pas gekregen, waarbij hun werd toegestaan handel te drijven op Japan. Een bijzondere betekenis kreeg hun aanwezigheid in Japan (op het kunstmatige eilandje Desjima) in de tweede helft van de 18de eeuw, namelijk door de opkomst van de ran-gaku (de ‘Hollandse wetenschap’, zie ran-gakoe). De beoefenaars van de ran-gaku hebben de grondslagen gelegd voor de latere modernisering van Japan.

Tijdens de periode van afsluiting werd de bevolkingsaanwas kunstmatig op eenzelfde peil gehouden (25 tot 27 miljoen). Er was geen kwestie van geleidelijke aanpassing aan de zich steeds veranderende economische en maatschappelijke toestanden. Wat dit laatste betreft, is vooral de overgang van een rijsteconomie naar een geldeconomie en de daarmede verbonden opkomst van de handelsstand vermeldenswaard. Gedurende de meer dan twee eeuwen vrede raakte de klasse der samoerai hoe langer hoe meer in verval en werd in economisch opzicht afhankelijk van de kooplieden. Met de opkomst van deze klasse en die der handwerkslieden alsook met de groei van de grote steden begon de cultuur, met name de literatuur en kunst, te ‘verburgerlijken’

Japanse tempel hout
Japanse tempel hout. © Beeld Emmanuel Buchot.
De officiële staatsleer in deze periode was het aan China ontleende neoconfucianisme, dat uitstekend aansloot bij de feodale verhoudingen in Japan. De studie van de exacte wetenschappen nam een hoge vlucht. © Emmanuel Buchot en Encarta.
Tilpasset søgning