India
Economie van Spanje
Beelden Spanje

In vergelijking met de andere Europese landen is Spanje lang een agrarisch land geweest. Eind jaren vijftig werd begonnen aan de opbouw van een industrie, die al spoedig de belangrijkste economische sector werd. Ook op internationaal vlak is de Spaanse industrie een belangrijke plaats gaan innemen en werd het land de vijfde industriële natie van Europa. De staal-, de auto- en de chemische industrie in het bijzonder maakten een grote groei door.

Na het midden van de jaren zeventig namen de Spaanse scheepswerven de derde plaats in de wereldproductie in. Deze ontwikkeling was enerzijds gebaseerd op de grote beschikbaarheid van arbeidskrachten en anderzijds op een belangrijke binnenlandse besparing, waarbij zich de overmakingen van geëmigreerde werknemers en de inkomsten uit het toerisme voegden.

Als gevolg van deze ontwikkelingen maakte het land een zeer snelle economische groei door, die verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de Spaanse samenleving. Zo is de structuur van de beroepsbevolking ingrijpend gewijzigd. In 1950 werkte de helft van de beroepsbevolking in de landbouw; in 2001 was dit nog slechts 6,5%, terwijl toen 29,8% in de industrie werkzaam was en 63,8% in de dienstensector. Het inkomen per hoofd van de bevolking steeg tussen 1960 en 2001 van $ 500 tot $ 18 000.

De late industriële ontwikkeling was een van de oorzaken van het snel teruglopen van de economische groei in de jaren zeventig. Onder andere door het ontbreken van technisch goed geschoold personeel had de industrie zich toegelegd op de fabricage van goedkope consumptie-artikelen (o.a. textiel en schoenen) die goedkoper door Afrikaanse en Aziatische landen kunnen worden vervaardigd, waardoor de uitvoer snel terugliep.

Ook de ijzer-, staal- en scheepsbouwsectoren ondervonden afzetmoeilijkheden. Als gevolg van de teruggang van de economie gaf de werkloosheid een sterke stijging te zien, mede door de terugkeer van duizenden werknemers uit de noordelijke West-Europese landen.

Aanvankelijk werd de Spaanse overheid geconfronteerd met het samenvallen van de democratisering en de economische crisis. In de jaren tachtig speelde de toetreding tot de EU een belangrijke rol in de bepaling van het overheidsbeleid. De interne noodzaak van sociale en politieke stabiliteit na 1975 maakte in de jaren tachtig plaats voor de externe noodzaak de Spaanse economie aan te passen aan het volledige lidmaatschap van de EU in 1986 en de totstandkoming van de interne markt eind 1992. Een expansieve begrotingspolitiek (ter verbetering van de infrastructuur en verdere ontwikkeling van het sociale zekerheidsstelsel) werd vanaf 1982 gecombineerd met een restrictieve monetaire politiek, ter beteugeling van de inflatie, en een industriebeleid gericht op sanering van de

Spaanse economie
Spaanse economie
bedrijven in de publieke sector. In het begin van de jaren negentig nam de economische groei af, maar tussen 1996 en 2000 herstelde deze zich met een gemiddeld groeipercentage van 4% per jaar. Sinds 2001 gaat het slechter met de economie, de groei bedroeg in 2001 en 2002 respectievelijk 3% en 2%. Zorgwekkende factor blijft de grote werkloosheid, die 11,5% bedraagt en hiermee het hoogst is binnen de EU (in 1995 bedroeg de werkloosheid nog 23%). Het kabinet-Aznar voerde sinds 1996 een economische politiek gericht op stabiele economische groei en kwalificatie voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU; gerealiseerd per 1 januari 1999). Om dit mogelijk te maken werden drastische bezuinigingsmaatregelen doorgevoerd en is een start gemaakt met de privatisering van grote staatsbedrijven zoals elektriciteitsproducent Endesa en het telecommunicatiebedrijf Telefónica.

Opvallend bij de privatiseringen was dat het merendeel van de aandelen in handen kwam van (Spaanse) particuliere investeerders. Het economisch beleid heeft inmiddels zijn vruchten afgeworpen, hoewel de arbeidsmarkt nog altijd weinig flexibel is en de werkloosheid bij een tegenvallende conjunctuur snel oploopt. De inflatie in Spanje bedraagt 4%, een van de hoogste inflatiecijfers in Europa. Emmanuel Buchot en Encarta. Meer info op Wikipedia.

Aangepast zoeken