Engeland
Economie van Engeland
Beelden Engeland

Mede door de Industriële Revolutie werd Groot-Brittannië de eerste grote industriële natie. Het kwam tot grote bloei o.a. op het gebied van de handel, transport, industriële productie en van het bank- en verzekeringswezen. Omstreeks 1900 begon de concurrentie van de Verenigde Staten en van bepaalde landen op het Europese vasteland; na de Eerste Wereldoorlog bleken de Britse staalfabrieken, de mijnbouw, de scheepsbouw en de textielindustrie verouderd en verloor Groot-Brittannië geleidelijk aan zijn dominante positie. Door het (geleidelijke) verlies van de meeste koloniën na 1945 werd de economische basis smaller.

Het herstel na de oorlogsjaren verliep met een economische groei van 2 à 3% per jaar (1945–1971) langzamer dan in de meeste andere West-Europese landen. De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen.

De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen. In de jaren tachtig werd een ingrijpende herstructurering ingezet. Veel van de staatsbedrijven die na de Tweede Wereldoorlog genationaliseerd waren, werden door de conservatieve-regering van M. Thatcher geprivatiseerd: onder meer de sectoren petroleum, gas, lucht- en ruimtevaart, autoindustrie, scheepvaart, wapens, openbaar vervoer, telecommunicatie, spaarbanken en staal. Financieel-economisch was het beleid succesvol: een relatief snelle en stijgende groei van het bnp, een dalend tekort van de overheidsfinanciën en daarmee samenhangend een dalende inflatie (1980: 18%, over de periode 1985–1994 5,4%, in 2001 nog slechts 0,7%).

De relatief lage lonen maakten het land aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Daartegenover stonden de aanvankelijk snel oplopende werkloosheid (4% in 1979, 14% begin 1986, teruggelopen tot 5% in 2001), de grotere inkomenskloof (in 2001 leefde ca. 17% van de Britten onder de armoedegrens), een sinds 1982 steeds negatiever wordende handelsbalans en een sinds 1981 dalend overschot op de betalingsbalans (1981: US$ 17 501 miljoen, 1987: US$ 1178 miljoen). Belangrijke aardolievondsten en -exporten (sinds 1980) hebben een nog sterkere daling van de saldi voorkomen.

Ca. 19% van de beroepsbevolking is werkzaam in de industrie, die 25% van het bnp levert; ruim 80% is actief in de dienstensector (73% van het bnp) en

Economie van Engeland
Economie van Engeland.
slechts 1% is werkzaam in de landbouw (2% van het bnp).
Aangepast zoeken