Duitsland van 1990 tot 2000
|
Beelden Duitsland |
In december 1990 werden de eerste parlementsverkiezingen in herenigd Duitsland gehouden. Zowel de CDU als de SPD was met de respectieve DDR-varianten gefuseerd. Tevens nam de Partei des Demokratischen Sozialismus (PDS), de ´vernieuwde´ opvolgerpartij van de inmiddels opgeheven SED, aan de verkiezingen deel. Deze werden door de CDU (44%) gewonnen. De SPD werd door de kiezers afgerekend op haar zwalkende beleid ten aanzien van de hereniging en bereikte met 33% van de stemmen een naoorlogs dieptepunt. De Grünen haalden de kiesdrempel niet en keerden niet in de Bondsdag terug. Ook de PDS werd niet in het parlement gekozen. De coalitie tussen CDU en FDP werd voortgezet. De ‘bloeiende landschappen’ die Kohl de Oost-Duitse kiezers bij de verkiezingen had voorgespiegeld, moesten worden voorafgegaan door forse maatschappelijke herstructureringen. De staat van de DDR-economie bleek aan de vooravond van de hereniging volstrekt overschat te zijn geweest. De ‘Treuhandanstalt’ kreeg de taak staatsbedrijven en drie miljoen hectare grond te privatiseren. Maar van de getaxeerde boedelwaarde van vijftig miljard DM, waarop enorme schuldenlasten drukten, konden slechts de vetste brokken (de grootste hotels, de communicatie-infrastructuur, de optische en chemische industrie) van de hand worden gedaan. |
Het herstructureren, lees: afstoten en sluiten, van de economische boedel leidde tot stijgende arbeidsonrust en grote werkloosheid in het oosten van Duitsland. Dit, en de enorme kosten die gepaard gingen met de wederopbouw van de infrastructuur, de herstructurering van het staatsapparaat hadden een diepe recessie in geheel Duitsland tot gevolg, die zijn neerslag had op Duitslands handelspartners. Vrij snel na de hereniging kwam een proces van ´destasificatie´ op gang, analoog aan de denazificatie na de val van het naziregime in 1945. De DDR was een totalitaire staat geweest, waarin de regering de bevolking met alle middelen had onderdrukt. De ‘Gauck-behörde’ kreeg de taak uit te zoeken wie slachtoffers waren geweest, en wie in welke mate voor het onderdrukkingssysteem van het regime had gewerkt. |
Om de enorme kosten voor de maatschappelijke en economische integratie van de oostelijke deelstaten te betalen, trad het ‘Solidaritätspakt’ in werking, gericht op het nivelleren van de levensstandaard in geheel Duitsland, dat nog tot 2020 van kracht is. Honderden miljarden euro’s uit de westelijke deelstaten gingen zo sinds 1990 naar de oostelijke. Daarnaast was besloten dat ieder Duitse burger door een extra solidariteitsbelasting moet betalen aan de hereniging. Beide bevolkingsgroepen moesten wennen aan de nieuwe omstandigheden. De voormalige DDR-burgers voelden zich gekleineerd door de West-Duitsers, die hun economie en maatschappelijke instellingen overnamen en opnieuw inrichtten. De West-Duitsers vinden dat de voormalige DDR-burgers niet dankbaar genoeg zijn voor de hereniging en de investeringen daarna. Volgens sommigen is ondanks het verdwijnen van de feitelijke Muur de ‘Mauer im Kopf’, het onbegrip tussen ‘Besserwessi’s’ en ‘Jammerossi’s’, onverminderd aanwezig Een gevolg van onder andere de economische malaise, maar ook van de herwonnen politieke vrijheid, was dat extreemrechtse incidenten opmerkelijk toenamen in vooral de oostelijke deelstaten. In de periode tot 1993 was hierover binnen en buiten de Bondsrepubliek veel bezorgdheid. Veel asielzoekers hadden in de Bondsrepubliek met haar liberale toelatingsbeleid hun heil gevonden, maar dreigden door hun aantallen vooral in de oostelijke deelstaten de gemeenschappen te ontwrichten. |
![]() |
Kohl. |
In 1993 werd een asielwet aangenomen die de immigratiemogelijkheden beperkte, hoewel in de jaren die volgden in de Bondsrepubliek van alle EU-landen de meeste buitenlanders naar verhouding en in absolute aantallen hun toevluchtsoord vonden. |
De buitenlandse politiek van de regering-Kohl was in deze periode vooral gericht op integratie van het nieuwe, grote Duitsland in Europa. De economische grootmacht Duitsland was nu ook feitelijk het grootste land van Europa geworden. Volgens Kohl was de Duitse plaats in Europa duidelijk náást Frankrijk en Engeland. Het beleid was sterk gericht op verdere integratie en voorkomen diende te worden dat Duitsland te machtig zou worden. De persoonlijke verstandhouding met de Franse president François Mitterrand versterkte de Frans-Duitse as. Deze motor van de Europese integratie trok de totstandkoming van de Europese Unie, de opvolger van de Europese Gemeenschap. Op het wereldtoneel werd van de nieuwe grote staat een grotere rol verwacht, tegen wil en dank van de Duitse regering. In 1994 werd bondspresident Richard von Weiszäcker, na twee ambtstermijnen, opgevolgd door Roman Herzog (CDU). De Bondsdagverkiezingen stonden voor een belangrijk deel in het teken van de economische ontwikkelingen, die een herstel te zien gaven. De CDU verloor weliswaar veel zetels, maar bleef wel de grootste partij en kon opnieuw met de liberale FDP een coalitieregering vormen onder leiding van Helmut Kohl. Hij was voor de vierde maal tot bondskanselier gekozen. Die Grünen keerden terug in de Bondsdag. Ondanks de relatieve opkomst van extreemrechtse partijen kregen deze bij de verkiezingen in 1994 geen voet aan de grond. |
![]() |
Richard von Weiszäcker. |
De regering, die sterk op Europese integratie was gericht, steunde de Europese plannen voor één muntunie. In 1996 leidden besprekingen over de Economische en Monetaire Unie (EMU) tot een felle strijd tegen bijna alle andere EU-landen, waarbij Bonn het streven naar een zo ‘hard’ mogelijke euro, de toekomstige gemeenschappelijke munt, verdedigde. Daarnaast kampte de Duitse economie in 1996 met andere, onderling verbonden problemen: de economische en psychologische kloof tussen het oosten en het westen van het land, de modernisering van de verzorgingsstaat en het saneren van de overheidsfinanciën. Ondanks de enorme uitgaven die de Duitse overheid moest doen, bleven de begrotingstekorten beperkt tot rond 3%, het met de Europese landen afgesproken maximum voor deelname aan de monetaire Unie. Dit was te danken aan de hausse in de wereldeconomie, waarvan de Duitse handel en industrie profiteerden |
De Bondsdagverkiezingen van september 1998 verliepen voor Helmut Kohl teleurstellend. De door hem in 1990 beloofde pijnloze transformatie van de oude DDR naar de sociale markteconomie was voor veel burgers niet gelukt. De economie kwam er niet op gang en vele mensen trokken weg, naar de westelijke deelstaten. Na zestien jaar waren veel kiezers op Kohl uitgekeken. Met een verlies van 6,3% (50 zetels) ten opzichte van de verkiezingen van 1994 boekte de CDU/CSU 1998 de slechtste verkiezingsuitslag sinds 1949 Ook de liberale coalitiepartner FDP verloor flink en zag zich met 6,2% van de stemmen zelfs gehalveerd ten opzichte van 1990. In december 1999 kwam een corruptieschandaal in de CDU aan het licht, toen bleek dat Kohl gedurende zijn kanselierschap steekpenningen aangenomen had ten behoeve van de partijkas. Kohl weigerde de namen te noemen van de betrokkenen, en werd gedwongen terug te treden. Partijsecretaris Angela Merkel, afkomstig uit de voormalige DDR en van protestantse huize, werd tot voorzitter van de CDU gekozen. In de jaren die volgden, hield de partij zich met moeite staande als oppositiepartij. Ze raakte verdeeld door interne moeilijkheden die de ‘Spendenaffäre’ aan het licht bracht, waarbij overigens bleek dat vrijwel alle politieke partijen zich schuldig hadden gemaakt aan malversaties met de partijfinanciën. |
![]() |
Roman Herzog. |
![]() Aangepast zoeken
|