Denemarken : Nieuwe geschiedenis |
| Foto's van Denemarken |
27/07/11
|
Met de verdwijning van de eens zo machtige Hanze uit de Deense geschiedenis en de definitieve breuk met Zweden na het bloedbad van Stockholm (1520) werd tijdens de regering van Christiaan II (1513–1523) een nieuw tijdperk ingeluid. Deze typische renaissancevorst met zijn – nog te vroege – absolutistische aspiraties verloor zijn kroon aan de nog steeds zeer machtige adel, die ze aan zijn oom Frederik I, graaf van Sleeswijk-Holstein (1523–1533), toewees. Diens opvolger Christiaan III (1534–1559) stelde de Sont open voor de Nederlandse scheepvaart ter wille van een goede verstandhouding met keizer Karel V, de zwager van de afgezette en later gevangengehouden Christiaan II. Een poging deze te bevrijden onder leiding van Lübeck (Wullenwever) en graaf Christoffel van Oldenburg, de zgn. Gravenfejde (1534), werd met de hulp van de Deense en Sleeswijk-Holsteinse adel, Zweden en de keizer verijdeld. |
Toen deze laatste echter toch voor zijn zusters kinderen aanspraak maakte op de Deense troon, sloot de koning de Sont opnieuw, maar moest die bij de Vrede van Spiers (1544) heropenen, waartegenover Karel V afzag van zijn aanspraken. Na de Hanze beheersten nu de Nederlandse kooplieden de handel en economie. Door een besluit van alle vier de standen van de Rijksdag werd in deze jaren het lutheranisme met behoud van de bisschoppelijke hiërarchie staatsgodsdienst; de koning werd het hoofd van de landskerk en kwam in het bezit van de kerkelijke goederen. Een eeuw van oorlogen met Zweden om de hegemonie van Noord-Europa, ingeleid door de Drie-Kronenoorlog (1563–1570), voerde na de Kalmaroorlog (1611–1613) tot telkens oplaaiende strijd in het voordeel van de Zweden, die zijn hoogtepunt vond in het beleg van de hoofdstad (1658–1659). |
Bij de Vrede van Kopenhagen (1660) kwamen de uiteindelijke verliezen op Schonen en de drie andere kustlandschappen van de vanouds Deense zuidwesthoek van Zweden, Jämtland en Härjedalen in Midden-Zweden en de Oostzee-eilanden Gotland en Ösel. In deze strijd had de adel door corruptie, landverraad en gebrek aan offervaardigheid zijn prestige verloren. De burgerij van Kopenhagen ontving om haar dappere houding tijdens het beleg aanzienlijke voorrechten en verleende op haar beurt samen met de geestelijkheid Frederik III (1648–1670) in 1660 onbeperkt gezag en erfelijkheid van het koningschap, ook in de vrouwelijke linie, neergelegd in de Lex regia van 1665. Als tegenwicht tegen de oude landadel begon ook de vorming van een bestuursadel uit Deense en Noord-Duitse burgers en Holsteinse en Noord-Duitse adellijke families als Reventlow, Moltke en Bernstorff. In de nu volgende, beide laatste Noordse Oorlogen was het gekortwiekte land dankzij het absolutistische koningschap ook aanzienlijk sterker, hoewel de tussenkomst van Frankrijk, Zwedens traditionele bondgenoot, tastbare resultaten verhinderde. Wel kon Frederik IV (1699–1730) bij de Vrede van Frederiksborg (1720) de Sleeswijkse lenen van de Gottorps verbeurd verklaren en inlijven. Na lange verwikkelingen konden daar in 1767 de Holsteinse gebieden van dit geslacht aan worden toegevoegd, in ruil voor Oldenburg, dat bij het uitsterven van het grafelijk huis in 1667 aan Denemarken was toegevallen |
![]() |
Frederik IV (1699–1730) |
De periode van vrede was overigens allerminst een tijd van economische bloei. De reeds lang deplorabele toestand van de boeren trachtte men tevergeefs te verbeteren, o.a. door de Stavnsbaand, een verbod tot migratie, dat in feite tot een soort lijfeigenschap voerde. De maatregelen ter bevordering van de industrie leden schipbreuk op de Franse en Britse concurrentie. Het absolutisme raakte in diskrediet door het officieuze regentschap van de Duitse lijfarts van Christiaan VII, Struensee, die tijdens diens dementie zowel 's konings bestuurlijke als echtelijke plichten waarnam. Na zijn terechtstelling (1772) zette Guldberg een soortgelijk regime van kabinetssecretaris voort, dat een reactie zowel op de invloed van de vreemdelingen in staatsdienst als op het vroegere collegebestuur was. De latere koning Frederik VI (1808–1839) herstelde als kroonprins de macht der oude colleges en deed een beroep op Bernstorff jr. en andere vroegere bekwame staatsdienaren. Een meer liberale politiek van Chr.D. Reventlow, chef van de Rekenkamer, en de Noorse procureur-generaal Colbjörnsen beoogde ontvoogding van de boerenstand en vrijhandel. Vooral deze handel en de scheepvaart bloeiden op, ook dankzij de gewapende neutraliteit tijdens de eerste coalitieoorlogen (Bernstorff). Onderwijs, rechterlijke macht en sociale voorzieningen voor armen en wezen werden hervormd. De aanval der Engelsen in 1801 en vooral het bombardement van Kopenhagen en de wegvoering van de volledige Deense vloot in 1807 maakten een eind aan neutraliteit en betrekkelijke welvaart. Door de Deense trouw aan Napoleon, ook na 1813, kreeg de wel overgelopen Zweedse kroonprins Bernadotte de kans het vasteland van Noorwegen te bezetten, dat bij de Vrede van Kiel (1814) aan Zweden werd toegewezen, terwijl Denemarken als slechts gedeeltelijke compensatie Lauenburg kreeg. "Denemarken" © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta. |
Tilpasset søgning
|