Denemarken

Geschiedenis van Denemarken : Middeleeuwen

Foto's van Denemarken
27/07/11

In zijn Gesta Danorum (begin 13de eeuw) beschrijft de monnik Saxo Grammaticus de oudste geschiedenis van zijn land als een van kleinere gemeenschappen onder lokale heersers, o.a. de Skoldungen te Lejre op Seeland. In het geschiedwerk over het bisdom Hamburg van Adam van Bremen en de keizerlijke annalen komt echter een koning Godfred voor in de 9de eeuw, die zijn zuidgrens door het Danevirke, de muur tussen Sli en Eider, beschermde. In diezelfde tijd zwermden de Vikingen uit voor hun eerste plundertochten en veroveringen. Koning Gorm de Oude (ca. 935–945) overmeesterde, uit Jutland oprukkend, een Zweeds Vikingenrijk. Zijn zoon Harald Blaatand liet zich na 960 dopen en werd na zijn nederlaag tegen de keizer (974) en de erkenning van diens oppergezag door zijn zoon Sven Gaffelbaard (986–1014) verdreven. Diens zoon Knut II de Grote (1018–1035) was reeds in Engeland als koning erkend en volgde in 1018 zijn broer Harald op in Denemarken, waaraan hij in 1028 Noorwegen door verovering toevoegde. Zowel in Engeland als in Noorwegen keerden spoedig na Knuts dood de nationale dynastieën terug.

Na een periode van verzwakking door binnenlandse twisten bevestigde Waldemar I de Grote (1157–1182) stevig zijn koninklijk gezag in de provincies, ondernam samen met Hendrik de Leeuw expedities tegen de Wenden en bezette Rügen (1168). Zijn zoon Knut VI (1182–1202) veroverde Pommeren (1184). Waldemar II de Overwinnaar (1202–1241) had reeds tijdens de regering van zijn broer Lübeck en Hamburg veroverd (1201) en voegde daar als koning nog Lauenburg, Noorwegen, Pommerellen en zelfs Estland en Koerland aan toe, maar moest later alles, behalve Rügen en Estland, weer aan de verbonden Noord-Duitse vorsten afstaan (1229). Opnieuw volgde een eeuw waarin binnenlandse beroeringen de buitenlandse expansie onmogelijk maakten.

Een zeer machtig geworden adel en geestelijkheid dwongen Erik V (1259–1286) een Magna Charta af, waarin voorzien werd in de jaarlijkse bijeenroeping van de aristocratische Danehof en de macht van de koning en de ‘landstingen’ werd beperkt (1282).

Pas onder Waldemar IV (1340–1375) was de koninklijke macht weer enigszins hersteld. Hij veroverde Schonen, Öland en Gotland op Zweden, maar kwam daardoor in oorlog met de Hanze (1361–1370), die zich door de verovering van Kopenhagen en de daaropvolgende Vrede van Stralsund (1370) een grote invloed, zelfs op het binnenlands bestuur, verzekerde. Waldemars dochter Margaretha (1387–1412), gehuwd met Haakon VI van Noorwegen, aanvaardde na diens dood en die van hun zoon Olaf de regering in Denemarken en Noorwegen (1387) en intervenieerde in een Zweedse opstand door haar overwinning bij Falköping (1389). In de Unie van Kalmar (1397) werd de personele unie der drie landen onder haar en haar neef en troonopvolger Erik VII van Pommeren bevestigd, maar het gemeenschappelijk bestuur werd tot een gezamenlijke, vooral tégen de Hanze gerichte, buitenlandse politiek beperkt. Erik VII (1412–1439) stelde in 1428 de Sont-tol in en sloeg aanvankelijk de hierop volgende aanvallen der Hanze met succes af, maar verloor in 1432 het reeds sedert 1386 aan de graven van Holstein in erfleen gegeven Sleeswijk en moest bij de Vrede van Vordingborg (1435) de Hanze-privileges bevestigen.
Erik VII van Pommeren
Erik VII van Pommeren

Na een Zweedse volksopstand (1434) werd hem eerst door de Deense, daarna door de Zweedse en Noorse Rijksraad de gehoorzaamheid opgezegd. Zijn neef Christoffel III van Beieren (1439–1448) volgde hem in Denemarken op en werd later ook achtereenvolgens in Zweden en Noorwegen aanvaard. Bij diens overlijden werd een afstammeling in de vrouwelijke linie van Erik V, Christiaan I, graaf van Oldenburg (1448–1481), tot koning gekozen, die na de dood van een oom Sleeswijk én Holstein weer bij Denemarken kon voegen (1460), maar op militair terrein een nederlaag leed tegen de opstandige Zweden onder Sven Sture bij Brunkeberg (1471). "Denemarken" © Schriftelijke door en Encarta.

Tilpasset søgning