Denemarken

Denemarken : 19de eeuw

Foto's van Denemarken
27/07/11

Na 1815 volgde de geleidelijke afbraak van het absolutistische regime. Het binnenlandse streven van burgers en boeren naar medezeggenschap werd begeleid door de druk van de Bondsdag, die voor het tot de Duitse Bond behorende Holstein aandrong op een standenvergadering (1830). De oude koning Frederik VI stemde ten slotte toe in volksvertegenwoordigingen niet alleen voor Holstein, maar ook voor de verschillende zuiver Deense delen, zij het dan met alleen adviserende bevoegdheden (1835). Pas Frederik VII (1848–1863) gaf bij zijn troonsbestijging na de dood van Christiaan VIII (1839–1848) gehoor aan een verzoek van de hoofdstedelijke vroedschap, benoemde een liberaal ministerie en liet verkiezingen uitschrijven voor een constituante. De 5 juni 1849 door de koning bekrachtigde grondwet voorzag in een volgens algemeen kiesrecht direct gekozen Folketing en een volgens algemeen kiesrecht indirect uit de hoogstaangeslagenen gekozen Landsting, die beide de wetgevende macht met de koning zouden delen.

De onderdrukking van een volksopstand in Sleeswijk en Holstein door Deense troepen leidde tot interventie van de Duitse Bond in de eerste Duits-Deense Oorlog (1848–1850). De grote mogendheden, op hun beurt tussenbeide gekomen, wezen op de conferentie van Londen de kroon van Denemarken én Sleeswijk-Holstein toe aan het Huis Sonderburg-Glücksburg. De kandidaat, de latere Christiaan IX (1863–1906), had in de voorafgaande oorlog aan Deense zijde gestreden. Het feit dat een nieuwe grondwet, die hij vlak na zijn troonsbestijging bekrachtigde, ook voor Sleeswijk zou gelden, was voor de Duitse Bond aanleiding tot de tweede Duits-Deense Oorlog (1864), waarna Denemarken bij de Vrede van Wenen Lauenburg, Holstein en heel Sleeswijk aan Pruisen en Oostenrijk verloor. Zie ook Sleeswijk-Holsteinse kwestie.

Bij een nieuwe grondwetswijziging in 1866 werd het oorspronkelijk algemene actieve kiesrecht voor het ‘Landsting’ evenals het passieve tot de hoogstaangeslagenen beperkt en zou de vergadering bovendien gedeeltelijk door de koning zelf worden samengesteld. In de volgende jaren stonden op dit ‘Landsting’ steunende conservatieve ministeries lijnrecht tegenover het ‘Folketing’ met zijn liberale meerderheid, zonder dat er in de grondwet voor deze situatie voorzieningen waren getroffen. Ondanks haar meerderheid was de linkerzijde vrijwel machteloos. Premier Estrup trachtte in 1885 de toch nog aanwezige moeilijkheden te forceren door te regeren met een provisorische begroting, beperking van de vrijheid van drukpers en vergadering en arrestatie van de leiders der oppositie, waarna een aanslag op zijn leven werd gepleegd. Pas in 1894 kwamen beide partijen tot een vergelijk en nam Estrup na een ambtsperiode van 19 jaar ontslag. Eerst in 1901 zou Deuntzer het eerste liberale kabinet vormen. Toch was de tweede helft van de 19de eeuw een periode van grote economische bloei. De Sont-tol was in 1857 opgeheven, handel en industrie ontplooiden zich, landbouw en veeteelt beleefden door sociale maatregelen, o.a. wijziging der pachtverhouding in eigen bezit, en vooral door de uitbouw van het coöperatieve systeem (zie coöperatie [economie]) een tevoren ongekende bloei. De Volkshogeschoolbeweging van Grundtvig leverde een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van het platteland. "Denemarken" © Schriftelijke door en Encarta.

Christiaan IX
Christiaan IX
Tilpasset søgning