China
Chinese economie : Landbouw
Foto's van China

Slechts 10–15% van de totale oppervlakte wordt geschikt geacht voor bebouwing. Meer dan de helft van het land bestaat uit bergen (60% ligt boven 2000 m), steile heuvels en woestijnen. Droogten en overstromingen zijn bovendien permanente verschijnselen. Door de bevolkingsgroei in het verleden is China van veel van zijn bosbestand (naar schatting 2,7 miljoen km2) beroofd en is in vele streken de humuslaag weggespoeld. Dank zij de vakbekwaamheid van de Chinese boer werd van het bebouwde areaal reeds vroeger een relatief grote oogst verkregen, die echter per persoon gering was. De grootte van de gemiddelde boerderij was niet meer dan 1 ha.

Grootgrondbezit kwam vrijwel alleen voor in de minder vruchtbare streken in het noorden, waar nu de grote staatsboerderijen liggen en waar de meeste landbouwmachines zijn geconcentreerd. In de periode 1949–1952 werd een herverdeling van de grond tot stand gebracht. Het resultaat was vooral dat de pachters eigenaar werden van hun stukje grond. In 1953 echter bleek reeds dat de regering de coöperaties tot collectieve boerderijen, waarbij alle productiemiddelen inclusief het land gemeenschapsbezit werden, wenste om te vormen. Het tempo werd in 1955 geforceerd en eind 1956 werkte meer dan 90% van de boeren in collectieve bedrijven.

In 1958 werden de collectieve bedrijven omgezet in volkscommunes (in 1965 werd het aantal communes van ca. 74 000 teruggebracht tot ruim 50 000); vanaf 1959 is echter de kleinere productiebrigade de basiseenheid (gemiddeld ca. 1000 mensen). Op een lager niveau dragen de productieteams, bestaande uit 20 tot 30 boerenfamilies, de verantwoordelijkheid voor de productie op de hun toegewezen grond en voor andere taken, die hun in overleg worden opgedragen. Naar schatting waren er in 1978 ca. 750 000 productiebrigades en 5 miljoen productieteams.

Naast de gecollectiviseerde landbouw bestonden nog ca. 2000 staatsboerderijen, vooral in het noorden gelegen, beschikkend over 40 000 km2 (ca. 4% van het bouwland) en 5 miljoen arbeiders, die hun producten uitsluitend aan de overheid mochten verkopen.

Bovendien hebben de boeren weer een eigen stukje grond gekregen – ca. 5% van het areaal – waarmee naar berekening de familie 20% van haar inkomen verdient. In de jaren tachtig werden de volkscommunes afgeschaft. De druk van onderaf was hiervoor doorslaggevend. De levensstandaard en de voedselconsumptie van de Chinese boeren waren in het midden van de jaren zeventig nauwelijks hoger dan in het midden van de jaren vijftig. Weliswaar was het analfabetisme teruggedrongen en vonden een belangrijke verbetering en uitbreiding van irrigatiewerken en verbindingswegen plaats, maar het productiesysteem liet te wensen over. Zo hadden de gedwongen leveranties aan staatsinkooporganen op den duur een zeer negatief effect op de productie.

Chinese landbouw
Chinese landbouw.. © Beeld Emmanuel Buchot.

Dat de productie op eigen stukjes land verhoudingsgewijs veel hoger lag, bevorderde de twijfel aan de effectiviteit van de volkscommunes. De eerste stap naar veranderingen op het platteland was het optrekken van de prijzen van de producten die de boeren aan de staat leverden met ca. 40% in 1979 en 1980. Hiernaast konden de boeren producten van een eigen lapje grond op de vrije plattelandsmarkten verkopen. Door deze maatregelen stegen de productie en de inkomens van de boeren op het platteland aanzienlijk. Sinds 1985 is het systeem van gedwongen leveranties aan staatsinkooporganisaties bovendien vervangen door 'indicatieve planning'. Hierbij staat het boeren in theorie vrij of ze een contract sluiten voor leveranties aan staatsinkooporganisaties of dat ze hun producten op de vrije markt afzetten.

Wel geeft de staat de boeren die contracten voor toekomstige leveranties afsluiten, hogere prijzen en een voorkeursbehandeling bij levering van schaarse en gesubsidieerde producten, zoals kunstmest en dieselolie. Een tweede hervorming is de invoering van het contractsysteem geweest, waarbij de collectieve productie werd afgeschaft. Hierbij wordt grond aan boeren verpacht. Doordat de contracten voor lange tijd worden afgesloten, zijn de boeren hun gepachte grond steeds meer als hun eigendom gaan beschouwen. De pachtrechten konden zelfs worden overgedragen en verhandeld en daarmee werd de juridische vorm van collectief grondbezit steeds meer een fictie. Voordelen van deze hervormingen zijn dat sinds 1984 de overheidsuitgaven voor de landbouw aanzienlijk zijn gedaald en dat de productie van graan en katoen belangrijk is gestegen.

kip in China
kip in China. © Beeld Emmanuel Buchot.
Deze stijging was in feite de ontkrachting van het oude dogma dat het verminderen van het areaal dat bestemd is voor graanbouw, tot een voedselramp moet leiden. Ook de productie van vlees, groenten, tabak en suiker groeide spectaculair. Binnen enkele jaren was de noodzaak tot invoer van granen en katoen uit het buitenland weggevallen.

De productiestijging in de landbouw is behalve aan de hervormingen ook te danken aan steeds verdergaande mechanisatie en verbetering van de irrigatie. Vanaf het begin van de jaren vijftig zijn 2000 grote en middelgrote waterreservoirs gebouwd met pompstations van een totale capaciteit van 30 miljoen pk. Van de 98,4 miljoen ha gecultiveerd land was in 1983 44,6 miljoen ha geïrrigeerd. Door landhervormingen en betere condities nam de rijstproductie tussen 1980 en 1982 met gemiddeld 40% toe. Verder is het kunstmestgebruik sterk toegenomen, hoewel nog ca. tweederde van de mest die door de boer op het land wordt gebracht, bestaat uit uitwerpselen van dieren en mensen, slib van rivieren en vijvers en groenvoeder.

Chinese rijst
Chinese rijst. © Beeld Emmanuel Buchot.
Van de voedselgranen is rijst het belangrijkst, gevolgd door tarwe, maïs en andere granen (kanliang, een soort sorghum, gierst en gerst) en knolvruchten. Hoewel China nog steeds graan invoert (uit Australië, Canada, Argentinië en de Verenigde Staten), is de import sinds de landbouwhervormingen sterk gereduceerd. In 1985 daalde de graanoogst voor het eerst na een aantal succesjaren en moest weer meer worden geïmporteerd. Vanaf het begin van de jaren tachtig wordt de katoensector speciaal gestimuleerd, o.a. door ook hier prijshervormingen door te voeren en meer vrijheid toe te staan in de planning van de oogst. Het gevolg is een toename geweest van 22% in het katoenareaal en een productieverhoging van 72%. Katoen is het voornaamste handelsgewas en grondstof voor de exporterende industrie en wordt zowel in Zuid- als in Noord-China geteeld. Naast katoen is ook de productie van agrarische industriële gewassen, zoals sojabonen, suiker, aardnoten, raapzaad en sesam, aanzienlijk gestegen, hoewel ook van deze producten vaak nog grote hoeveelheden worden geïmporteerd. Tot China's cultuurgewassen behoren voorts: thee (vnl. uit het zuidoosten), tabak (Midden-China en het zuiden), moerbeien, sinaasappelen, kamfer en gember (uit het zuiden). Het werk in de landbouw is verlicht door mechanisatie. Verder is sterke nadruk gelegd op diversificatie in de agrarische sector (vooral bosbouw en veehouderij). © Schriftelijke door en Encarta
.
Tilpasset søgning