Chinese economie : Handel
|
Foto's van China |
In 1994 importeerde China voor $ 115,69 miljard en exporteerde het voor $ 121,04 miljard. De verandering in de importstructuur ten gevolge van de hervormingen leidde tot twee keer toe tot een explosieve groei van de import uit ontwikkelde industrielanden (m.n. duurzame consumptieartikelen), wat voor grote tekorten op de Chinese betalingsbalans zorgde. Inmiddels vertoont deze een overschot van $ 5,35 miljard. De handelscrisis van 1985 was het gevolg van de decentralisatie en afschaffing van staatshandelsmonopolies. Lokale overheden, banken, fabrieken en eenheden van het Volksbevrijdingsleger maakten van deze liberalisering gebruik om op grote schaal te investeren. Deze producten werden vervolgens met een winst van 100 à 200% afgezet op de binnenlandse markt. Het gevolg was een toename van schulden bij buitenlandse regeringen, internationale financiële instellingen en banken. De Chinese overheid reageerde daarop met een gedeeltelijk herstel van de importbeperkingen en een versoepeling van de beperkingen ten aanzien van directe buitenlandse investeringen in joint ventures en andere vormen van technologische samenwerking. |
Het aandeel van de consumptieartikelen daalde van 18% van de totale import in 1970 tot ca. 10% in 1985, hoofdzakelijk terug te voeren op het succes van de privatisering van de Chinese landbouw. De import van voedselproducten (vnl. van granen) daalde van 13% tot ca. 4% in 1986. Tegelijkertijd steeg het aandeel van duurzame consumptiegoederen (consumentenindustrie, auto's, koelkasten) van 1% in 1978 naar ca. 5% in de tweede helft van de jaren tachtig. In dezelfde periode vond een relatieve daling plaats van de import van grondstoffen (staal, ijzer, kunstvezels e.d.) en steeg het aandeel van geïmporteerde kapitaalgoederen van 20% tot 40%. Aan de exportzijde vond een relatieve afname plaats van de uitvoer van landbouwproducten en een stijging van de uitvoer van voedingswaren, houtproducten, textielproducten en machines. |
De toename van buitenlandse handel houdt verband met de radicale economische hervormingen die vanaf 1982 op gang kwamen. In het ontspanningsbeleid dat hierop volgde, werd van de self-reliancepolitiek, zoals tijdens Mao gevoerd, afgestapt. China wil hiermee zijn eigen positie op de wereldmarkt versterken, o.a. door aantrekking van westerse bedrijven, investeringen en kennis. Sinds 1952 werd ca. driekwart van de handel gedreven met het communistische blok. Na de breuk met de Sovjet-Unie (1960) werden de handelsstromen geleidelijk aan verlegd naar de westerse industrielanden en de ontwikkelingslanden. Met de westerse industrielanden bestaat een onevenwichtig |
![]() |
Chinese handel. © Beeld Emmanuel Buchot. |
handelsverkeer; China betrekt veel meer uit deze landen dan het aan ze verkoopt. De ontbrekende deviezen worden voornamelijk verkregen via handelsoverschotten met de ontwikkelingslanden en Hongkong. De centrale regering heeft vanaf de jaren zestig de buitenlandse schulden afgelost. Hetzelfde geldt voor de binnenlandse leningen waarop de bevolking min of meer gedwongen werd in te tekenen, zodat de inkomsten en uitgaven van de Chinese staat in evenwicht zijn. Van de westerse handelspartners zijn Hongkong en Japan de belangrijkste, gevolgd door de Verenigde Staten, Taiwan en Duitsland. Aan Japan wordt aardolie geleverd. China trad in 2001 toe tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
Tilpasset søgning
|