China
China : Buitenlandse politiek tot 2000
Foto's van China

De buitenlandse politiek van de Volksrepubliek is vanaf 1949 steeds gekenmerkt door het vooropstellen van de nieuw verworven nationale onafhankelijkheid. In de eerste jaren uitte zich dat o.a. in de bezetting van Tibet (1950). Op basis van nog steeds niet duidelijk geworden motieven intervenieerden Chinese troepen in de Koreaanse oorlog. Het vasthouden aan de soevereiniteit over Taiwan was, naast de op isolatie van de Volksrepubliek gerichte politiek van de Verenigde Staten, lange tijd een ernstige barrière voor diplomatieke erkenning buiten die door de communistische staten. Na de wapenstilstand in Korea en de Geneefse Conferentie over Indochina in 1954 (waar de Volksrepubliek voor het eerst als grote mogendheid optrad) wist China het isolement te doorbreken door zich op te werpen als een van de leiders van de Derde Wereld.

Baanbrekend hierbij was de gemeenschappelijke verklaring van Nehru en Zhou Enlai over het nastreven van vreedzame coëxistentie (1954), herhaald en uitgebreid op de Conferentie van niet-gebonden landen in Bandung (1955). Aan het einde van de jaren vijftig volgde een terugslag. Een opstand van Tibetanen werd hardvochtig neergeslagen, de dalai lama vluchtte naar India. Grensgeschillen met dit laatste land leidden in 1962 tot een gewapend conflict. De invloed van de Volksrepubliek nam in de jaren zestig meer toe, m.n. in Afrika, maar de Culturele Revolutie resulteerde in een buitenlands politiek vacuüm.

In 1950 tekenden China en de Sovjet-Unie handelsovereenkomsten en een vriendschapsverdrag en in de jaren vijftig erkende de CCP de 'leidende rol' van de Russische zusterpartij.

Al vanaf het midden van dit decennium ontwikkelden zich echter tegenstellingen, die met het terugtrekken van de Russische technici in 1960 manifest werden. Deze tegenstellingen waren ideologisch van aard en hadden tevens een geografisch-strategische achtergrond. De toenemende spanning ontlaadde zich in 1969 in ernstige grensincidenten.

De Volksrepubliek had zich in 1964 onder de nucleaire mogendheden geschaard; in 1967 bracht zij voorts haar eerste waterstofbom (zie kernwapen) tot ontploffing. In de Indo-Chinese Oorlog stelde de Volksrepubliek zich terughoudend op en beperkte zich tot materiële steun aan Noord-Vietnam en de communistische bewegingen in Laos, Cambodja en Zuid-Vietnam.

Steeds meer staten erkenden de Volksrepubliek, die in 1971 haar intrede deed in de Verenigde Naties. Terzelfder tijd kwam het tot een toenadering tot de Verenigde Staten, in februari 1972 bekroond door een bezoek van president Richard Nixon aan China. Sindsdien was de Chinese buitenlandse politiek steeds sterker georiënteerd op het Westen. Hoogtepunten van deze heroriëntatie waren het verdrag met Japan (1978) en de eind van datzelfde jaar tot stand gekomen diplomatieke relaties tussen de Verenigde Staten en de Volksrepubliek.

Beeld chinese architectuur
Chinese architectuur. © Beeld Emmanuel Buchot.
Deze politiek kwam evenzeer voort uit de behoefte aan westerse technologie en productiesystemen ten behoeve van de moderniseringspolitiek, als uit het overheersende motief in de Chinese buitenlandse politiek van de laatste twintig jaar: het conflict met de Sovjet-Unie.

De Chinese buitenlandse politiek werd, wat ook de binnenlandse ontwikkelingen waren, vanaf het begin van de jaren zestig gekenmerkt door een krachtig anti-Russische koers. In 1986 echter maakte de Russische partijleider Gorbatsjov in zijn rede over de nieuwe Russische 'Ostpolitik' verzoenende gebaren in de richting van China en in 1987 werd het Chinees-Russische grensgeschil bijgelegd. Sedertdien werden de betrekkingen verder verbeterd.

De goede betrekkingen tussen Japan en zijn voormalige kolonie Taiwan bleven ook in de jaren tachtig de relaties met China beïnvloeden. Het vraagstuk van het defensiepotentieel van Taiwan heeft tot wrijvingen met vooral de Verenigde Staten geleid.

Plein van de Hemelse Vrede
Plein van de Hemelse Vrede.
Het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede (1989) leidde tot een verwijdering tussen China en de Verenigde Staten, die in 1990 geleidelijk teniet werd gedaan. In 1991 tekenden China en Groot-Brittannië een overeenkomst betreffende Hongkong.

In 1987 werden voor het eerst twee journalisten uit Taiwan tot de Chinese Volksrepubliek toegelaten. Dit bezoek had een informeel karakter, maar gaf blijk van een toenadering tussen Taipei en Peking. In april 1993 werden voor het eerst sinds de communistische machtsovername in 1949 – weliswaar 'onofficiële' – besprekingen gehouden tussen China en Taiwan.

De relaties met de Verenigde Staten verbeterden in de loop van 1993, nadat Washington aan Peking de status van 'meest begunstigde handelspartner' had verleend, maar zij bereikten in 1995 een nieuw dieptepunt door het besluit van het Amerikaanse Congres om de Taiwanese president Lee Theng-hui in de gelegenheid te stellen de Verenigde Staten te bezoeken.

Chinese kanditatuur voor de Olympische Spelen
Chinese kanditatuur voor de Olympische Spelen.
De betrekkingen met Groot-Brittannië verslechterden door de kwestie-Hongkong en door de openlijke stellingname van de Britse minister van Buitenlandse zaken Douglas Hurd tegen de Chinese kanditatuur voor de Olympische Spelen in het jaar 2000. Een en ander verhinderde overigens niet dat er omvangrijke contracten werden afgesloten met Amerikaanse en andere buitenlandse ondernemingen. In november 1995 kondigde China aanzienlijke reducties aan van de geldende invoerrechten. © Schriftelijke door en Encarta.
Tilpasset søgning