Algerije is de 20ste eeuw : De onafhankelijkheidsoorlog |
| Foto's van Algerije |
7/08/11
|
Aan de vooravond van de strijd om Algerijes onafhankelijkheid vertoonde de Europese sector van de economie (landbouw: wijnvelden en citrusplantages; cementfabrieken; ijzer- en fosfaatmijnen) een sterke bloei. De Algerijnse landbevolking kampte echter met toenemende werkloosheid. De Algerijnse stedelijke bevolking (24% in 1948, tegen 16,6% in 1906), met een gemiddeld inkomen per familie per jaar van ƒ 300, voelde zich, dankzij ook haar dagelijks contact met het zoveel hogere Europese levenspeil, meer en meer gefrustreerd in haar niveau van verwachtingen. Deze sociaaleconomische situatie mag in het complex van factoren, dat de wil tot verzet aanwakkerde, niet over het hoofd worden gezien. Voorts was er de factor van de gedemobiliseerde militairen. Vele Algerijnen hadden in de Tweede Wereldoorlog en in de strijd in Indo-China in Franse legers gediend. Enkele jongere leden van de MTLD, ontevreden over het beleid van de veteraan-nationalist Messali Hadj, richtten in 1947 een ‘Organisation Spéciale’ (OS) op om met geweld te strijden voor de onafhankelijkheid. |
Nadat enige terroristische aanslagen waren gepleegd, werden verscheidene leden van de OS, onder wie een ex-onderofficier in het Franse leger, Ben Bella, gearresteerd. Deze wist vlak voor zijn terdoodveroordeling in 1952 naar Caïro te ontsnappen. Een vervolgens in maart 1954 opgericht Revolutionair Comité voor Eenheid en Actie (CRUA), bestaande uit negen leden (de zgn. historische leiders van de revolutie: Ben Boulaïd, Didouche, Ben M’Hidi – alle drie omgekomen –, Boudiaf, Rabah Bitat, Belkacem Krim – in Algerije – en Mohammed Chider, Hocine Aït Ahmed, Ben Bella – bannelingen in Caïro), bereidde de opstand voor. Op 1 november 1954 begon het gewapende verzet, het eerst in het Berberse Aurèsmassief. Het CRUA loste zich op in het ‘Front de Libération Nationale’ (FLN). |
Wat het verloop van de strijd betreft, kan men twee fasen onderscheiden. Tot de 13de mei 1958, de dag van de zelfliquidatie van de Vierde Republiek, trachtten de verschillende Franse regeringen voor alles militair het verzet te breken. Ondanks het zenden van steeds meer troepen en het gebruik van bedenkelijke methoden (de ‘ratissages’ onder leiding van de parachutistengeneraal Massu in Algiers, 1957) gelukte dit niet. Ook toonden de regeringen van de Vierde Republiek dat zij niet in staat waren een deel van het officierenkorps en van haar ambtenaren in Algerije, noch ook in het algemeen de Europese ingezetenen daar aan hun gezag te onderwerpen. Zo moest de regering van de socialistische premier Guy Mollet gedogen dat een door haar zelf met medewerking van president Bourguiba van Tunesië en koning Mohammed V van Marokko in het geheim gelegd contact met de leiding van het Algerijnse verzet, door de autoriteiten in Algerije werd gesaboteerd. Het vliegtuig dat vijf topleiders van het verzet (Ben Bella, Aït Ahmed, Bitat, Chider en Boudiaf) van Rabat in Marokko naar Tunis, de afgesproken plaats van bespreking, zou brengen, landde in plaats daarvan op 22 oktober 1956 in Algiers. De leiders werden hierna in Frankrijk geïnterneerd. Inmiddels groeide in het buitenland (Verenigde Naties) het aantal critici van de Franse koloniale politiek. Op 13 mei 1958 zegden de Europese ingezetenen in Algerije hun vertrouwen in de Vierde Republiek op. De man in wie zij hun redder zagen, generaal De Gaulle, werd de nieuwe regeringsleider |
![]() |
president Bourguiba. |
Deze bood de Algerijnse verzetsstrijders op 23 oktober een ‘vrede der dapperen’ aan en liet in het geheim via afgezanten de mogelijkheid van een vergelijk bespreken. Toen hij (op 8 januari 1959 president geworden) op 16 september 1959 het recht van ‘alle ingezetenen’ van Algerije op zelfbeschikking (autodétermination) erkende, was de basis voor een overleg eindelijk gevonden. Het FLN had inmiddels in september 1958 een in Caïro zetelende voorlopige regering (Gouvernement Provisoire de la République Algérienne: GPRA) gevormd, die door de communistische en verscheidene Afro-Aziatische landen werd erkend. |
Als eerste premier trad op de ex-leider van de UDMA, Ferhat Abbas, die in 1955 naar Caïro was uitgeweken om zich bij het FLN aan te sluiten. Nadat vervolgens enkele officiële onderhandelingen (juni 1960, Melun; mei–juli 1961, Évian-Lugrin) en vele geheime waren gevoerd en Ferhat Abbas in augustus 1961 als premier van de GPRA vervangen was door Joesoef Ben Chedda, werd het slotoverleg in Évian op 18 maart 1962 bekroond met een akkoord. Krachtens het Évian-akkoord zou een ‘Voorlopige Executieve’ (voorzitter Abderrahmane Farès, vroeger een voorstander van ‘Algérie française’), waarin ook FLN-leden zitting zouden hebben, een referendum voor alle ingezetenen voorbereiden. Andere bepalingen betroffen de toekomstige verhouding tussen Frankrijk en Algerije (samenwerking op het gebied van de cultuur, economie, aardoliewinning in de Sahara; behoud van de basis Mers el-Kebir gedurende 15 jaar, recht van het nemen van kernproeven in de Sahara; regeling van de rechtspositie van de Europese minderheid). Een wapenstilstand, afgekondigd op 19 maart 1962, maakte officieel een einde aan de oorlog, die 7 jaar en 5 maanden had geduurd en Frankrijk meer dan ƒ 35 miljard (euro 17 miljard) had gekost, alsmede ruim 24 000 gesneuvelde militairen (de Franse legersterkte in Algerije bedroeg op die datum ruim 400 000 man). Het totale aantal slachtoffers werd door waarnemers geschat op ruim 200 000, waarvan ruim 180 000 Algerijnen. (Volgens de GPRA zou dit cijfer 1 miljoen zijn.) De Europese ingezetenen wensten zich niet bij het akkoord neer te leggen. |
![]() |
Guy Mollet |
Sinds hun eerste blijk van ontevredenheid over het Algerijnse beleid van president De Gaulle (Barricadenopstand, januari 1960) en de hierna verkregen steun van bepaalde elementen in het Franse leger ( ‘pronunciamiento’ onder leiding van de generaals Challe, Zeller, Salan, Jouheaud, 22–26 april 1961) was hun verzet tegen een onafhankelijk Algerije gebundeld in de ‘Organisation de l’Armée Secrète’ OAS. Twee sinds de mislukte pronunciamiento ondergedoken generaals, Salan en Jouheaud, namen hiervan de leiding op zich. Een golf van terreurdaden (kneedbommen, aanslagen) overspoelde de grote steden. Na het Évian-akkoord maakte zich een pathologische destructiedrang van de OAS meester. Zij besloot Algerije als ‘een puinhoop’ achter te laten. Vele openbare gebouwen (ziekenhuizen, universiteit van Algiers) werden vernield. Duizenden Algerijnen werden zonder reden vermoord leger trad hier nauwelijks tegen op. Het FLN-kader had de grootste moeite om de Algerijnen van represailles tegen de Europeanen te weerhouden. Ter elfder ure kwam tussen de OAS in Algiers en het FLN een overeenkomst tot stand (medio juni). De OAS in Oran zette haar terreur tot eind juni voort. Inmiddels had een massale uittocht van Europeanen uit Algiers naar Frankrijk plaatsgehad (ruim 580 000 in het eerste halfjaar van 1962, van wie 110 000 joden). Het referendum over de toekomst van Algerije op 1 juli had tot resultaat dat van de ruim 5,9 miljoen uitgebrachte geldige stemmen, 99% zich uitsprak voor een onafhankelijk Algerije. President De Gaulle verklaarde op 3 juli dat Frankrijk de onafhankelijkheid van Algerije plechtig erkende. "Algerije," © Schriftelijke door Emmanuel BUCHOT en Encarta |
![]() Tilpasset søgning
|